Bik Van der Pol: Boston

Sinds 1995 werken Liesbeth Bik en Jos van der Pol samen als Bik Van der Pol. Ze wonen en werken in Rotterdam. Bik Van der Pol onderzoeken de mogelijkheden van kunst om kennis te produceren en te communiceren. Vanuit onderzoek en het aangaan van samenwerkingsverbanden activeren en transformeren zij situaties naar nieuwe platforms voor verschillende vormen van communicatieve activiteiten. Hierin betrekken zij de context, de locatie en het gebruik en vaak ook het werk van anderen dat zij heroverwegen en reactiveren. In 2016 verbleven zij een semester aan het MIT in Boston.

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

workshop met NODE en Bengler, 18 februari 2016

 

 

 

 

 

 

 

 

MIT
Het Massachusetts Institute of Technology in Boston, kortweg MIT, heeft als ronkende missie “to advance knowledge and educate students in science, technology, and other areas of scholarship that will best serve the nation and the world in the twenty-first century, […] for the betterment of humankind.” MIT wordt ook wel aangeduid als Military Institute of Technology, vanwege haar innige relatie met het leger en het Ministerie van Defensie. Insiders noemen het soms Military Industrial Complex of Technology, omdat de concrete resultaten van de onderzoeken uitgevoerd door deze universiteit grote invloed hebben op allerlei zaken die we in het dagelijks leven als volkomen normaal zijn gaan beschouwen.
Opgericht in 1861 als een respons op de industrialisatie van de Amerikaanse samenleving, is het MIT vooral gericht op praktijk- en laboratoriumonderwijs. Resultaten van onderzoek zijn al meer dan een eeuw van groot belang voor de ontdekking en ontwikkeling van onder meer radar, ruimtevaart, bio- en nanotechnologie, de computer, medische toepassingen en veel meer, en had en heeft een enorme en directe praktische toepassing in ‘het veld’, wat betekende dat de uitvindingen van onderzoekers en studenten worden ingezet en getest in oorlogen. Vele Nobelprijswinnaars komen van MIT, en er zijn innige relaties met het bedrijfsleven wat de kans op (goede) banen verhoogt.

Center for Advanced Visual Studies
Toch ontbrak er iets in dit succesverhaal, vond de leiding van het instituut nadat mede met de hulp van de resultaten van haar vernieuwende onderzoek de Tweede Wereldoorlog beslist werd, want waar bevindt zich in deze rationale technologische wereld de humanistische en humanitaire component? In 1949 waarschuwde een onderzoekscommissie tegen een te hoog inzetten op ‘engineering’ (in alle denkbare facetten) en door de overheid gesponsord onderzoek, niet alleen omdat dat afbreuk zou doen aan de wetenschappen en geesteswetenschappen, maar omdat, voorzagen zij, steeds meer beslissingen niet meer genomen werden met het oog op menselijke en sociale aspecten, en daardoor de connectie met de samenleving zou verliezen. Een direct gevolg van deze waarschuwing is de oprichting van faculteiten die moesten kunnen concurreren met de sterke posities van de Schools of Science and Engineering. Eerder gemarginaliseerde opleidingen zoals economie, politieke wetenschappen, management, architectuur, en taalwetenschappen versterkten hun positie en trokken gerespecteerde professoren aan om de lancering van die zo noodzakelijke programma’s kracht bij te zetten.
In 1967 startte het Center for Advanced Visual Studies (CAVS) onder de Hongaarse Professor György Kepes vanuit de overtuiging dat de kunsten, technologie en wetenschap bezien in samenhang beter tot nieuwe en belangwekkende perspectieven kunnen komen, dan apart en op zichzelf. Een van de succesverhalen van CAVS is het hologram, eind jaren ’60 uitgevonden door Steve Benton (voormalig directeur van CAVS) in nauwe samenwerking met andere faculteiten. Dagelijks komen we, zonder daar werkelijk bij stil te staan, zo’n hologram tegen op onze creditkaarten en paspoort: in dat hologram zit alle informatie, noodzakelijk voor beveiliging en identificatie, opgeborgen. Zonder het hologram geen CT en MRI scan, geen driedimensionale reconstructies van wat zich in ons lichaam afspeelt.

Vier maanden in Boston
Nieuwsgierig accepteerden we de uitnodiging om een semester via de binnenkant van dit instituut te verkennen en te werken met twee groepen masterstudenten aan wat nu ACT (Arts Culture and Technology) heet, als een kans om meer te begrijpen van dit instituut en haar ambigue reputatie van briljante studenten én schimmige kongsi’s, en hoe de kunsten en humanitaire wetenschappen zijn ingebed in deze ultra-technologische omgeving, want de kunsten zijn binnen dit instituut, ondanks haar bijna 50-jarig bestaan in deze context, nog steeds een vreemde eend in de bijt.

Vier maanden….dat is de tijd die we doorbrengen in Boston. We geven twee klassen: Art and Public Sphere, en Experimental Publishing and Archival Research waarvan we hier een indruk geven: we richtten ons met de studenten op het onderzoeken van vormen waarin betrokkenheid bij de dialoog met de context gestalte krijgen en publiek worden gepresenteerd. Als we de kunstpraktijk opvatten als een instrument of een plek om vormen van kennis en ervaring te genereren, welke vormen kunnen dan worden gedacht, onderzocht en geproduceerd met betrekking tot ‘openbaar maken’?

Editing board
Vanaf de start van het semester brachten we een kleine verandering aan in de hiërarchie: we besloten, in dialoog met de groep, de klas niet langer ‘klas’ te noemen, maar editing board, redactiekamer. Engagement en input werd verwacht van de studenten, noodzakelijk om hun eigen problemen en belangen ter tafel te brengen maar met een grote openheid voor andere perspectieven. We wilden werken als een team, waarin de rollen verwisselbaar waren en iedereen evenveel verantwoordelijkheid zou nemen voor de inhoud, productie en resultaat, en alert zou zijn op activiteiten op en buiten de MIT campus, waar we op in zouden kunnen haken of ‘meeliften’. De kleine omschakeling had tot doel andere vormen van samenwerken te activeren en had een enorm effect: van het begin af aan was er een grote betrokkenheid bij het hele project. De wekelijkse redactie bijeenkomsten bestonden uit ‘veldwerk’, studie van de theoretische achtergronden, discussies, locatieonderzoek, en het onderzoeken van ‘analoge platformen’ zoals de Bauhaus tentoonstelling in het Harvard Art Museum, samengesteld door Robert Weisenburger, de Bow & Arrow Press, het Consumer Research Center/bookshop in het Carpenter Center. Dit alles zou uiteindelijk moeten leiden tot de productie en publieke presentatie in de geest van een vorm van performative theatrical magazine.

Als concrete focus en bron van inspiratie kozen we het CAVS archief, dat zich toevallig verderop in de gang bevond. Een archief van bijna 45 jaar geschiedenis van samenwerking en time-based producties van meer dan 200 internationaal erkende kunstenaars die als fellows waren verbonden aan CAVS. De collectie bestaat uit foto’s, boeken, posters, documenten, portfolio’s, films, video’s en audio-tapes, die een bijzonder inzicht geven in de concrete projecten waar kunst, technologie en wetenschap in samenhang opereerden.
Het was ook een gelukkige samenloop van omstandigheden dat de architectuurfaculteit workshops en lezingen organiseerde, gericht op de publieke aspecten van onderzoek. Ontwerpers NODE en Bengler waren gevraagd om een workshop te geven met als uitgangspunt ‘publicatie als experiment met het CAVS archief’, ter voorbereiding van hun publicatie voor ACT; aansluiting hierbij was niet meer dan vanzelfsprekend en een buitengewone kans om met het archiefmateriaal te spelen, en gedurende een dag werden door zo’n 15 deelnemers verschillende verbindingen gelegd, dwars door geschiedenis, media, projecten en individuele affiniteiten heen.

Voorbij het archief
Het schetsen, verkennen en begrijpen van de wereld als een dynamisch levend archief ‘in de maak’, aan de hand van het materiaal uit het archief, was het doel. We zijn geïnteresseerd in vragen zoals: welke vormen van artistieke strategieën kunnen worden ontwikkeld als een positie? Hoe kunnen we, met gebruikmaking van het materiaal, huidige situaties in de wereld begrijpen, herzien en in relatie brengen met een ruimte waar kennis / ervaring wordt gedeeld en geproduceerd? Hoe kunnen time-based (kunst)projecten door kruisbestuiving en samenwerking met andere gebieden bijdragen aan een nieuw begrip van informatie? We waren allemaal doordrongen van de noodzaak van een ethische en esthetische discussie over de rol, de positie en het potentieel van kunst in relatie tot ‘publiek’ te herzien en ‘openbaar te maken’. Want ook binnen deze groep speelde de discussie dat kunstpraktijken los lijken te zijn geraakt van andere domeinen in de maatschappij. Want wat heeft een archief nou eigenlijk te maken met wat er in Griekenland of Libanon of Syrië gebeurt? Met de gevolgen van klimaatverandering in de baai van Jakarta? Er was in de groep een uitdrukkelijke wil en ambitie om het huidige geheugenverlies en blindheid te pareren, om verbeelding in te zetten als een strategie voor emancipatie, en het werken met het archief te verankeren in maatschappelijke ontwikkelingen die nu, vandaag spelen. De achtergronden van de individuele deelnemers speelde een grote rol in de soms verhitte discussies. Of het nu de recente bezettingen van openbare pleinen wereldwijd, conflicten over gemeenschappelijk eigendom – zoals kennis en cultuur-, de privatisering van middelen en informatie, of de positie van MIT als een soms dubieuze major player in deze ontwikkelingen, nu en in het verleden, … iedereen was doordrongen van de urgentie van het verder denken, voorbij het archief, voorbij het nu, maar ook voorbij het moment, want de tijdelijke bundelingen van energie – in Zuccotti Park, en op de pleinen van Madrid, Cairo, Istanbul, de straten van Sao Paulo – laten ook laten zien hoe gemakkelijk het collectief steeds opnieuw wordt versnipperd en machteloos gemaakt. Experimental Publishing and Archival Research werd ingezet als een kritische ‘lens’ om te speculeren over dit potentieel; niet alleen keken we naar wat ‘archief’ is of kan zijn, hoe en door wie de inhoud ervan wordt gevormd en toegankelijk gemaakt, hoe informatie wordt verspreid, maar ook hoe we onze speculaties en concrete bevindingen zouden kunnen communiceren.

‘Publishing’ werd ingezet als een experiment en strategie om ‘publiek te maken’, en te openen wat anders ongezien blijft. Het resultaat was de keuze van de titel Don’t Erase Until Monday en de collectieve productie van vormen van openbaar maken: het drukken en de distributie van gezeefdrukte posters op oude CAVS posters, de online blog Don’t Erase Until Monday (http://donterasetillmonday.tumblr.com), en een theatrale live avond als een bundeling van krachten op 5 mei in het Consumer Research Center in het Carpenter Center…een live magazine en een opeenvolging van zorgvuldig georkestreerde events, met verve georganiseerd en gedragen door de hele groep.

MIT studenten
Het is mogelijk om in de korte tijd van 4 maanden een project echt goed te ontwikkelen, een coherente vorm te creëren en er voor te staan. MIT studenten zijn inderdaad bij vlagen briljant en het was fantastisch met ze te werken, maar de briljante is niet significant meer of beter dan elders. Groot verschil met Nederland is de tijdsdruk waaronder zij moeten presteren, en vooral de financiële druk. MIT studenten betalen een hoge prijs: 45.000 USD moeten zij jaarlijks neertellen voor collegeld, wat inclusief andere kosten neerkomt op zo’n 80.000 USD per jaar. Dat is een enorme belasting in hun verdere leven. Toch doen ze het: MIT op je cv wordt gezien als een toegangsbewijs tot goede banen en betaalt zich dus snel terug, is het idee. Dat zijn hoge verwachtingen. Of die worden ingelost is de vraag. Of dat ook de toekomst is van onderwijs in Nederland is een andere vraag…

www.bikvanderpol.net


Volg ons op social media

Facebook
Facebook
Twitter
Instagram