Onderzoek: Beeldend kunstenaars: klem tussen twee banen

door Maaike Lauwaert

De economische situatie van beeldend kunstenaars gaat er zo sterk op achteruit dat het kunstenaarschap volledig uitgehold dreigt te raken. Dat leert een enquête bij 311 Vlaamse en Nederlandse kunstenaars in opdracht van het Belgische tijdschrift rekto:verso. Zij kunnen te weinig investeren in hun praktijk en groeien onvoldoende door tot professioneel werkende kunstenaars.

We brachten de financieel-economische situatie in kaart via een online enquête die door 311 beeldend kunstenaars, waarvan twee derde in Nederland en een derde in Vlaanderen woont, werd ingevuld. De meesten zijn tussen de 25 en 45 jaar oud en werken tussen vijf en twintig jaar als kunstenaar. Het aantal toonmomenten, groeps- of solotentoonstellingen, performances, screenings, lezingen of workshops die ze per jaar presteren, varieert van één à vijf (voor 41% van de respondenten) tot meer dan twintig (voor ruim 4%). We hebben het hier dus niet over hobbyisten, maar over professioneel werkende en presenterende kunstenaars, die al geruime tijd actief naar buiten treden met hun werk.

Slechts 20% van de bevraagde kunstenaars omschrijft zijn situatie als comfortabel. Het merendeel (64%) kan niet leven van zijn kunstenaarschap, dat wil zeggen van de autonome praktijk van maken en tonen, los van hun aanvullende werk in andere of aanpalende sectoren. Voor 48% geldt dat hun financieel-economische situatie de laatste jaren is verslechterd. Een rode draad door hun leven is een schrikkellijn van fluctuerende inkomsten en een continu gevoel van niet weten waar ze aan toe zijn, laat staan dat ze hun praktijk kunnen plannen. Ze dansen op een slap koord van voorfinancieren, gokken op return on investment, investeren om te kunnen doorgroeien en sparen voor barre tijden. Door de moeilijke jaren worden vele kunstenaars gedwongen om op hun uitgaven te beknibbelen, niet zelden ten koste van hun eigenlijke werk of praktijk. Zo zegt 33% van de kunstenaars dat ze omwille van financiële redenen met goedkopere materialen zijn gaan werken. 20% stopte zelfs met de huur van werkruimte.

Het gemiddelde jaarinkomen van 50% van de bevraagde kunstenaars ligt schrikbarend laag: onder de 10.000 euro per jaar. Even ter vergelijking: het minimum jaarinkomen in Nederland is vastgesteld op 18.000 euro en in België op 17.200 euro. Iedereen klust dan ook bij, hetzij in losse opdrachten als freelancer, hetzij in vast dienstverband, of in een wisselende combinatie. Slechts in 45% van de gevallen ligt dat werk in het verlengde van de kunstenaarspraktijk.

Ze wijten hun precaire situatie niet in de eerste plaats aan externe factoren zoals de crisis of de subsidiebezuinigingen, wel aan de teruglopende of ontbrekende vergoedingen in de kunstensector zelf. Hun top drie van oorzaken: 1) een terugloop van vergoedingen voor de productie van werk, 2) een terugloop van fees of honoraria, en 3) minder ondersteuningsmogelijkheden als gevolg van bezuinigde kunstsubsidies. De grootste frustratie die uit de enquête naar voren komt, is niet betaald worden voor geleverde diensten. Hun grootste evenwichtsoefening noemen kunstenaars de voortdurende overweging tussen betaald werk waarvan men kan leven, en het doorgaans onbetaalde kunstenaarschap.

De cultuur van niet betalen is gestoeld op aannames, reflexen en mythes die variëren van: “kunstenaars worden toch al individueel gesubsidieerd dus daar hoef je als organisatie niets bovenop te doen’, ‘wij betalen in eer, niet in munt’, ‘wat de kunstenaar aan zichtbaarheid verdient, is niet in geld uit te drukken’, ‘kunstenaars werken uit passie, niet voor het geld’, ‘ze zouden het werk sowieso maken’, ‘de markt betaalt’, ‘armoede maakt al eeuwen goede kunst’, etc etc. Ook kunstenaars zelf vervallen nog wel eens in die aannames, zo blijkt uit ons onderzoek. Zo schreven kunstenaars in reactie op de vraag naar hoe zij hun financiële positie zouden omschrijven, dat ze “werken uit liefde en voor de voldoening over wat ik goed vind” of dat “dit de prijs is die je betaalt om enige vrijheid in je leven te scheppen”.

Ook in het bredere maatschappelijke veld leven zulke ideeën. Een hardnekkige is: ‘dan had je maar een ander beroep moeten kiezen’. Met andere woorden, een penibele financiële situatie zou nu eenmaal bij het kunstenaarschap horen. Dat is een romantisch non-argument. Arm zijn maakt geen goede kunst. Rijk zijn ook niet, overigens, maar dat is een ander verhaal. Een tweede reflex is: ‘dan moet je het maar zakelijker aanpakken en je niet zo afhankelijk maken van subsidies’. Alleen reageren organisaties vaak heel slecht op kunstenaars die vanuit een zakelijk instinct onderhandelen over de hoogte van hun budget of een bepaald (uur) loon vragen. De kunstsector is daar niet op ingesteld, en is er vaak ook niet mee gediend. Zo wordt de zakelijke houding die de overheid steeds meer verlangt van kunstenaars juist gefrustreerd.

Andere factoren die meespelen, zijn bezuinigingen bij instellingen zelf, regelloosheid, onduidelijkheid over wat nu precies het verschil is tussen een artist fee, een productiebudget of een onkostenvergoeding, en een fenomeen wat we budgetdrift kunnen noemen. Zo wordt bij vrijwel elke tentoonstelling met geld geschoven tussen verschillende begrotingsposten, vaak ten koste van het kunstenaarshonorarium. Dat gebrek aan heldere afspraken frustreert vele kunstenaars. Het maakt gesprekken over vergoedingen troebel en complex.

De cijfers spreken voor zich. Twee derde van de kunstenaars geeft aan zelden tot nooit een fee te ontvangen. In 79% van de gevallen bieden zelfs gesubsidieerde organisaties geen fee. Daarnaast geeft 69% aan zelden een productiebudget te ontvangen voor nieuw werk. Dat betekent dat kunstenaars zelf moeten investeren, en dus geld toeleggen wanneer ze exposeren. Onkosten worden zeer afwisselend vergoed. 60% van de respondenten geeft aan dat ze soms een vergoeding krijgen voor bijvoorbeeld reiskosten. Gevraagd naar wie het meest realistisch vergoedt, wordt de top drie aangevoerd door particulieren (30%), geen van alle genoemde instellingen (30%) en kleine instellingen (26%).

Overheden vragen van organisaties die zij ondersteunen, dat een redelijk percentage naar de kunstenaars doorvloeit (het trickle down principe). Dit onderzoek toont nogmaals aan dat er in realiteit veeleer sprake is van een trickle up principe: kunstenaars gaan in een bijberoep geld verdienen dat zij investeren in hun praktijk en waar ook uitnodigende instanties baat bij hebben. Het geld vloeit naar boven, de organisaties in. Kunstenaars zitten klem in dit tweebanensysteem. Er is te weinig ruimte voor wat een van de kunstenaars ‘geestelijke nietsruimte’ noemt, noodzakelijk om te kunnen blijven creëren.

Hoe complex dit tweebanensysteem is, blijkt uit de geschreven reacties en verhalen van respondenten. De meeste kunstenaars hebben twee beroepen: eentje die de mond en het kunstenaarschap voedt en eentje die geld kost. De complexiteit daarvan is niet enkel een kwestie van tijd – de betalende baan slokt de tijd van het kunstenaarschap op – maar ook een kwestie van perceptie: de buitenwereld beschouwt bijwerkende kunstenaars als minder professioneel en succesvol. Ook de onzekerheid van wisselende baantjes en bijhorende inkomsten maakt het ingewikkeld. Slechts een enkeling vindt daarin een goede balans.
Voor de meesten geldt wat een van de respondenten droog opmerkt: “dat het kunstenaarschap de enige beroepsgroep is die bijbanen heeft om zijn werk te kunnen financieren”.

Het doorlezen van tientallen verhalen over tegenslagen, gevoelens van wanhoop en boosheid, niet erkend worden en niet kunnen doorgroeien, maakt bijna moedeloos. Woorden die in de reacties in de enquête vaak vallen, zijn ‘armoedegrens’, ‘onzeker’, ‘failliet’, ‘stoppen’, ‘stress’ ‘omscholen’, ‘wanhopig’, ‘taboe’, ‘schaamte’, ‘investeren’, ‘onbegrip’, ‘beeldvorming’, ‘crisis’, ‘doorzetten’. Een van de respondenten schrijft dat “de zorgen over de financiële situatie zo overweldigend kunnen zijn dat ze je verlammen”. Iemand anders vat het simpel samen als “it sucks”. Een van de verhalen besluit met “wel gelukkig”, een lichtpuntje.

We hebben hier te maken met een grote beroepsgroep die het hoofd amper boven water kan houden, die in zijn groei wordt geremd door een systeem waarin mensen niet betaald worden voor het werk dat ze leveren bij grote en kleine instellingen, en dat moeten compenseren met een andere baan. Terwijl andere partijen die bij deze organisaties betrokken zijn, zeer vaak wel betaald worden. Dat zit behoorlijk scheef. Nochtans tonen kunstenaars vaak begrip voor de financiële impact van de crisis en de bezuinigingen bij instellingen. Maar het steekt dat ‘iedereen betaald wordt behalve wij’. Velen ervaren de situatie toch als een enorme institutionele strijkstok waaraan het leeuwendeel van de financiële middelen blijft plakken.

Pascal Gielen analyseerde dat, wil een kunstenaar op langere termijn werkzaam kunnen blijven, vier sociale domeinen in evenwicht moeten zijn: de markt, de peers (contacten, netwerk), de civiele ruimte (tonen van het werk) én het domestieke (thuis, werkruimte). Die laatste ruimte blijft vaak buiten beeld, maar herhaaldelijk uiten kunstenaars in deze enquête zorgen over hypotheek en pensioen. Verrassend frequent wordt er ook ge-sproken over het niet durven stichten van een gezin. Jongere kunstenaars zien zich vaak genoodzaakt van residentie naar residentie te hoppen (die betalen vaak een fee en zorgen in elk geval voor onderdak en studio), waardoor ze zich niet kunnen vestigen. Nu kan dat nog, schrijven ze. Maar hoe het later moet? Zelfs op het meest persoonlijke vlak van hun leven bestaat er onzekerheid.

Om deze uitholling van het kunstenaarschap tegen te gaan is een cultuuromslag nodig. De mythes moeten plaats maken voor een helder systeem, waarin kunstenaars en instellingen weten wat ze van elkaar kunnen en mogen verwachten, en waarin de evidentie van het niet betalen van kunstenaars verdwijnt. Als kunstenaars te lang te weinig kunnen investeren in hun praktijk, onvoldoende kunnen doorgroeien tot professioneel werkende kunstenaars, en zich daardoor onvoldoende artistiek kunnen ontwikkelen, bedreigt dat finaal de kunst zelf.

Toen recent Nederlands onderzoek in opdracht van de belangenvereniging BKNL uitwees dat de honoreringspraktijk in Nederland een soort wild west- en anything goes-karakter had, werd besloten een pilot te starten die moet leiden tot een Nederlands honoreringsbeleid met daarin betere afspraken en onderlinge afstemming over vergoedingen.

Gezien de financieel onderdanige situatie van kunstenaars, zouden uitnodigende partijen zelf het gesprek over honorering moeten beginnen. Sta kunstenaars toe zich ondernemend op te stellen en dus te onderhandelen over betalingen en condities. Dat doen andere partijen waarmee culturele instellingen werken immers ook! Voor de broodnodige veranderingen ligt nu meer dan voldoende materiaal op tafel. Er is onderzoek gedaan, er is momentum, er zijn legio praktijkvoorbeelden uit het buitenland en er is – vooral – een urgentie en een noodzaak. Het is tijd dat daar iets mee gebeurt, dat zowel Nederland als Vlaanderen aansluiten bij een internationale kentering in het denken en handelen rond kunstenaarsvergoedingen.

 

Dit is een korte versie van het artikel Beeldende kunstenaars: klem tussen twee banen dat in juni 2015 verscheen op de website van rekto:verso.
Met dank aan Michelle Schulkens voor haar hulp bij de gegevensverwerking van de enquête.
Maaike Lauwaert is programmamaker beeldende kunst bij Stroom Den Haag en publiceert internationaal over hedendaagse beeldende kunst.


Volg ons op social media

Facebook
Facebook
Twitter
Instagram

Volg ons op Twitter