Kunst, omgevingskwaliteit en opdrachtgeverschap

[door Sandra Smets en Xandra Nibbeling]

Op 19 maart kwamen tientallen kunstenaars en mensen uit de kunstsector naar Tilburg voor een symposium bij het Brabants Kenniscentrum Kunst en Cultuur (bkkc): bkkc connects | over kunst, omgevingskwaliteit en opdrachtgeverschap.

Wat betekent opdrachtgeverschap in een tijd waarin kunstprojecten niet meer vanuit één opdrachtgever ontstaan, maar uit gezamenlijkheid? Hoe is opdrachtgeverschap aan kunstenaars veranderd? Waar liggen kansen? Over zulke vragen ging het symposium dat bkkc afgelopen 19 maart organiseerde samen met LOKO, Landelijk Overleg Kunst in Opdracht. Het trok een zaal van tientallen aandachtige mensen: kunstenaars, mensen uit de kunstsector. En vooral, meer dan voorheen misschien, bleken bezoekers meerdere petten te hebben: én kunstenaar, én opdrachtgever – co-creatie en bottom-up, als kernwoorden van het nieuwe opdrachtgeverschap, zijn al aan de orde van de dag. BK-informatie kondigde in januari aan, te beginnen met de lezing van Art Angel op Art Rotterdam, onderzoek te doen naar opdrachtgeverschap dit jaar. Vorige editie deden we verslag van een symposium aan de TU Delft, voor deze editie togen wij naar Tilburg.

Image1

Daar leidde moderator Arie Lengkeek (AIR) de ochtend in en vertelde dat fluïde opdrachtgeverschap in de architectuurwereld al lang praktijk is. De oude wereld waarin een opdrachtgever een plan neerlegde en de architect uitvoerde, kent hij niet meer. De Van der Leeuwkring is een ‘club’ van opdrachtgevers, andere spelers zijn de Stadsmakers. Opdrachtgeverschap is flexibeler en onvoorspelbaarder geworden. Dat beaamt Netty van de Kamp, adviseur kunst en ruimte binnen programma omgevingskwaliteit van het bkkc. Omgevingsfactoren zijn kunst en cultuur, erfgoed, cultuur en landschap: allemaal factoren waarin je kwaliteit kunt aanbrengen, om zo de omgevingskwaliteit te verbeteren. Ze vindt het inzetten van creatieve denkkracht en ontwerpkracht bij ruimtelijke processen erg belangrijk. De meerwaarde van kunstinbreng tonen (op economisch, sociaal en maatschappelijk terrein), is telkens een voorwaarde. Een kunstproject met boomkwekers langs een nieuwe provinciale weg zit nu bijvoorbeeld in de pijplijn: kijk telkens wat gebeurt in de wereld – bijvoorbeeld infrastructurele projecten – en haak daarop aan.

Spreker Kai van Hasselt werkte bij AMO, de denktank van OMA, en richtte in 2004 adviespraktijk Shinsekai Analysis op. Voor publieke en private opdrachtgevers houdt Shinsekai (Japans voor nieuwe wereld) zich bezig met urban strategies en cultural intelligence, op het snijvlak van stedelijke ontwikkelingen en hedendaagse kunst en cultuur. Hij vertelt over The Millennials, geboren rond 1980, een generatie die reislustig is en zich thuis voelt in mediagebruik: ze gaan liever ontdekken dan naar de film. Bij die groep liggen kansen. Ze hebben flexoffices nodig, die als paddenstoelen uit de grond schieten en waar kunst kan helpen om ze te onderscheiden van elkaar, en een prettige sfeer kan scheppen. Daar liggen kansen voor kunstenaars: wat maakt een plek bezoekwaardig of bezienswaardig? Zoiets geldt ook voor de Heritage Branding: oude hotels, modemerken, een textielmuseum dat met kunst en cultuur geschiedenis vertaalt in een eigentijdse identiteit. Ook daar geldt dat een bijzondere ervaring gewaardeerd wordt, wat dezelfde idee is waarom flagship stores ontstaan. Die ideeën bepalen gebiedstransformaties, of het hippe bibliotheekcafé in Parijs, het herontplooien van de High Line in New York. Parkstad Limburg is ook aan een grootschalige ontwikkeling toe. Wat van belang is, is dat je een ervaring biedt, je onderscheidt. Dus moeten opdrachtgevers niet dezelfde kunstenaars kiezen. En kunstenaars die in zulke plannen willen meedoen, moeten zelf erin duiken en met een voorstel komen. Dat kan lonen. Wacht niet tot een opdrachtgever belt. Bureau RAAAF bijvoorbeeld ontwikkelde uit zichzelf een flexoffice waarin de mensen hangen en staan, gebaseerd op het idee dat ‘zitten het nieuwe roken is’. Het is anders, eigentijds, zo kun je vraag scheppen.

De volgende spreker, Tabo Goudswaard, is zelf ook zo’n cultureel ondernemer op wie je geen etiket kunt plakken: intendant, kunstenaar, social designer, van alles. Hij steekt de kunstenaars een hart onder de riem: op de academie leer je om aan zinloze taken te durven beginnen, om lef te ontwikkelen, om toeval toe te laten. In een efficiënt georganiseerde wereld kan dat een welkome impuls zijn. Zelf ging hij zich bezighouden met social design. Geïntrigeerd (en geïrriteerd) door berichtgeving over onveiligheid in Gouda is hij daar in een probleemwijk, met bewoners, een soap gaan filmen. Dat kantelde het imago van het gebied, maakte bewoners bewuster en actiever. Maar om zoiets van de grond te krijgen, heb je als kunstenaar obstakels te overwinnen. Hij ontwikkelde daarvoor een lexicon samen met Het Nieuwe Instituut en Twynstra Gudde. Het biedt taal, handvatten, waarmee je bedrijven kunt geruststellen zodat ze ‘onzekere’ processen, van onverwachte kunstimpulsen, toch kunnen plaatsen en accepteren.

De derde spreker is Nils van Beek, van TAAK. Als coöperatie is dat een opvolger van SKOR, maar dan zonder zak geld van de overheid. “Delen is het nieuwe hebben”, zegt Van Beek. TAAK werkt samen met de consortia die ontstaan bij bijvoorbeeld bouwopgaven van overheid en bedrijfsleven. Zo is TAAK bezig met kunsttoepassingen bij een nieuwe gevangenis in Zaandam. De omgangsvormen en taal zijn anders dan vroeger, maar ook die bedrijven willen een publiek belang dienen. Uiteindelijk is iedereen eropuit om iets goeds op te leveren. Als kunst zich kan verkopen, dan is dat zeer welkom in een proces. Zo ontwikkelt TAAK met Martijn Engelbregt en het Sandberg Instituut een Cure Master, voor in de residency van een psychiatrische inrichting in Den Dolder (Het Vijfde Seizoen). TAAK is betrokken bij de transformatie van de Dappermarkt in Amsterdam (op initiatief van de marktondernemers), de Hortus Haren, bij Woensel West, een arbeiderswijk in Tilburg in transitie. Daar raadden ze aan om één arbeiderswoning niet te slopen en die als een soort erfgoed te bewaren. Ook interessant voor kunstenaars is de publicatie die TAAK maakte voor het Amsterdams Fonds voor de Kunsten: een handboek voor opdrachtgeverschap. Kansen genoeg.

Kortom: opdrachtgeverschap is veel meer een samenwerking dan voorheen. In een flexibele maar ook onzeker werkveld liggen kansen voor kunstenaars die, vanuit hun eigenzinnige en autonome blik, zich willen verdiepen in bouwprocessen, transformatie, erfgoed, mode, en tal van andere terreinen. Het betekent dat je je bewust bent van de rol die kunst speelt in zijn omgeving, je moet het nut ervan kunnen verkopen. Dat vraagt wel wat, zelfkritiek bijvoorbeeld. Je moet kunnen en willen samenwerken. En doorpakken: samen uit, samen thuis. Als het gaat om de gebouwde omgeving is duurzaamheid vanzelfsprekend een eis. De wil is er, maar je moet dezelfde taal spreken. Wie pakt de handschoen op?

Lees ook het verslag op Publiek Gemaakt en op de website van bkkc


Volg ons op social media

Facebook
Facebook
Twitter
Instagram

Volg ons op Twitter